‘Ik wou dat ik een weeskind was.’ Wie dacht naar een gezellig nostalgische coming-of-age te gaan, wordt in de eerste minuten van Renoir ruw uit die droom wakker geschud. Hoofdpersoon Fuki is 11 jaar oud en weet al meer van de wereld dan misschien goed voor haar is. Ze dagdroomt over de dood en schrijft essays met titels die bij de juf alarmbellen doen rinkelen (zoals bovengenoemde). Het is 1987, Japan is in sneltreinvaart aan het veranderen en met een terminaal zieke vader en een overspannen moeder moet Fuki het leven vooral in haar eentje ontdekken.
Renoir, de tweede film van schrijver-regisseur Hayakawa Chie, beslaat één zomer in het leven van Fuki. Net als haar vorige film Plan 75, over een Black Mirror-esk dystopisch Japan waar ouderen vriendelijk doch dringend verzocht wordt euthanasie te plegen, gaat Renoir over de dood en hoe daarmee om te gaan. Terwijl Fuki’s vader (gespeeld door Lily Franky, die we kennen uit Shoplifters) op sterven ligt, hoopt ie de loterij nog te winnen. Zijn vrouw zoekt antwoorden bij een waarzegger en papt aan met haar knappe anger management-coach. Ondertussen verschuilt Fuki zich in haar fantasiewereld, waar telepathie en hypnose haar een macht geven die ze in het echte leven niet heeft. Via een telefoonlijn voor eenzame mensen raakt ze aan de praat met een volwassen man die nét iets te graag wil dat ze bij hem langskomt. Het zijn donkere thema’s in een zonnig seizoen, gezien door de ogen van een meisje dat de zwaarte misschien nog niet begrijpt, maar wel vóelt.



