Wie door de Parijse zakenwijk La Défense loopt, kan niet om de gigantische kubus heen: de Grande Arche. Het is een bouwwerk dat even indrukwekkend als raadselachtig is. Waarom staat deze kolossale kubus juist hier, en wie was de architect die deze klus 'klaarde’? Het zijn vragen die ook de Franse regisseur Stéphane Demoustier zichzelf stelde. In zijn nieuwste film – gebaseerd op de gelijknamige roman van Laurence Cossé – reconstrueert hij de turbulente totstandkoming van de arche. Het verhaal voert je terug naar de jaren 80, naar een project dat er nooit was gekomen zonder de twijfelachtige bewijsdrang van president François Mitterrand.
Om te begrijpen waarom de Grande Arche bestaat, moeten we namelijk terug naar het tijdperk van de socialistische president die Frankrijk wilde moderniseren met beton, prestige en gewaagde idealen. Tijdens zijn 14-jarige presidentschap schafte Mitterrand de doodstraf af, veranderde de werkweek van 40 naar 39 uur en liet een schip van Greenpeace opblazen. Een man van uitersten dus. Daarnaast was het een president met smaak, vond ie zelf. Hij liet zoveel bouwen dat Parijzenaren zijn werken de Grands travaux noemden. Zo gaf Mitterrand architect I.M. Pei de opdracht om de glazen piramides van het Louvre neer te zetten, en wilde hij opera toegankelijk maken voor ‘het gewone volk’ met het openen van de Opéra Bastille.
In 1983 lanceerde Mitterrand de internationale architectuurwedstrijd voor het pronkstuk van zijn presidentschap: de Grande Arche. Uit meer dan 400 inzendingen koos ie, tot ieders verbazing, het ontwerp van de nog onbekende Deense architect Johan Otto von Spreckelsen (in de film van Demoustier gespeeld door Claes Bang). Maar Von Spreckelsens droom om een kubus te bouwen in het nieuwe zakendistrict van Parijs, verandert al snel in een bureaucratische en technische nachtmerrie. Er gaat van alles mis en Von Spreckelsens creatieve vrijheid wordt ingeperkt tot nihil; elke lijn die hij trekt en elk materiaal dat hij kiest, wordt gewogen door gretige technocraten. Verfilming La grande arche werd zo een verhaal over een eenzame idealist die langzaam de grip verliest op zijn eigen meesterwerk.
Op het Architectuur Film Festival Rotterdam spreken we regisseur Stéphane Demoustier en hoofdrolspeler Claes Bang, op de bovenste verdieping van Hotel Bruno. Aan de overkant, bij LantarenVenster, beleefde La grande arche zijn Nederlandse première. De film lijkt op een perfect moment te komen: een jaar eerder was Brady Corbets architectuurfilm The Brutalist een groot succes. Beide films delen de strijd van een visionaire architect – László Tóth en Otto von Spreckelsen – die ontdekt hoe zijn creatieve vrijheid steeds minder wordt door de harde realiteit van macht en geld.
Net als in The Brutalist zien we in jullie film een architect die worstelt met de buitenwereld. Wat trok jullie zo aan in het verhaal van juist dit specifieke gebouw en zijn ontwerper?
Demoustier: ‘Vroeger maakte ik films in opdracht van architecten om de huur te betalen. Mijn baas zei toen altijd: ‘Maak die films niet alleen voor de vakmensen, maar juist voor een groter publiek.’ Dat principe heb ik hier toegepast. Voor het grote publiek is dit vooral het aangrijpende verhaal van een man met een tragisch lot. Het leven van Johan Otto von Spreckelsen en de geboorte van zijn gebouw raakten uiteindelijk onlosmakelijk met elkaar verweven.’
Het verhaal was destijds al absurd: hij won, maar de organisatie kon hem nergens vinden
Bang: ‘Ik zie La grande arche niet louter als een film over één man, maar als een universeel verhaal over het creatieve proces en de tol die dat eist van iedereen die erbij betrokken is. Het gaat over de kwetsbaarheid van een idee wanneer het botst met de realiteit.’
Het verhaal van Von Spreckelsen klinkt bijna als een legende. Wanneer hoorden jullie zelf voor het eerst over de Grande Arche en de mysterieuze man erachter?
Bang: ‘Ik herinner me de ophef nog goed. In 1982, toen de wedstrijd werd uitgeschreven, was ik een een jaar of vijftien. Dat een Deen won, voelde destijds als wereldnieuws. Hoewel Denemarken beroemde architecten kent, zoals Jørn Utzon, de ontwerper van het Sydney Opera House, was Von Spreckelsen een volstrekte onbekende. Het verhaal was destijds al absurd: hij won de belangrijkste architectuurwedstrijd ter wereld, maar vervolgens kon de organisatie hem nergens vinden om hem het nieuws te vertellen. Hij leefde totaal afgezonderd.’
Ik wilde niet alleen een film maken over beton en marmer, maar over de menselijke ervaring
Demoustier: ‘Dat is het paradoxale: in Frankrijk kent iedereen het gebouw, maar werkelijk niemand kende Von Spreckelsen. Toen ik de roman van Laurence Cossé over hem las, was ik met stomheid geslagen. Zijn enorme gevoeligheid en zijn uiteindelijke lot vormden voor mij de kern van de film. Ik wilde niet alleen een film maken over beton en marmer, maar juist over de menselijke ervaring die achter die strakke lijnen schuilgaat.’
Hoe begin je aan een onderzoek naar een personage waarover zo weinig bekend is?
Bang: ‘Ik heb werkelijk alles verslonden wat er te vinden was. Toch is onze film geen letterlijke reconstructie: we proberen niet zijn exacte levensverhaal na te vertellen. Zo hebben we zijn vier kinderen bijvoorbeeld buiten het verhaal gelaten om de focus scherp te houden. Ik heb veel gesproken met mensen die hem kenden en met oud-studenten die destijds als assistenten mee naar Parijs gingen. Uiteindelijk was het script van Stéphane, gebaseerd op het boek van Laurence Cossé, mijn belangrijkste kompas.’
Demoustier: ‘Wat betreft de bouw, de techniek en de complexe relatie met president Mitterrand heb ik me strikt aan de feiten gehouden; die politieke arena is namelijk uitstekend gedocumenteerd. Maar over zijn innerlijke leven was bijna niets te vinden. Daar moest ik mijn verbeelding het werk laten doen. Ik bleef mezelf maar afvragen: hoe zou ik me voelen als ik een eenvoudige docent was wiens leven van de ene op de andere dag zou veranderen?’
In hoeverre herkennen jullie jezelf in een figuur als Von Spreckelsen?
Bang: ‘Ik zoek in elk personage naar een raakvlak. Zonder die identificatie kan ik iemand niet geloofwaardig belichamen. Net als Von Spreckelsen ben ik compromisloos, idealistisch en waarschijnlijk een veel te grote perfectionist. Dat is vaak een grootste kracht, maar tegelijkertijd een achilleshiel. De grootste uitdaging was deze keer vooral puur praktisch: ik sprak geen woord Frans. Ik moest niet alleen leren tekenen als een architect, maar ook een taal beheersen die niet de mijne was.’
Ik hoop dat het publiek de zaal verlaat met het gevoel iets te hebben geleerd over een vergeten geschiedenis
Demoustier: ‘Het proces van een architect is verrassend universeel en lijkt sterk op dat van een filmmaker. Je werkt aan een collectief project, bouwt prototypes en moet je visie voortdurend zien te verenigen met de weerbarstige realiteit. Von Spreckelsen kwam op een punt waarop hij geen enkel compromis meer kón sluiten en besloot op te stappen. Claes leek tijdens de voorbereidingen enorm op hem: hij was maandenlang honderd procent gefocust, net zoals de architect, die volledig opging in zijn levenswerk.’
De film balanceert voortdurend op de grens tussen iets tragisch en iets komisch. Hoe kijken jullie daar zelf naar?
Bang: ‘Ik vind het altijd lastig om te dicteren hoe een publiek, waaronder ikzelf, de film moet zien. Mijn werk als acteur zit erop zodra de camera stopt met draaien. Of mensen het nu zien als een absurdistische komedie over excentrieke figuren in het Frankrijk van de jaren 80, of als een diepbedroefd menselijk drama: elke interpretatie is welkom. Juist die ruimte voor de kijker, maakt een film interessant.’
Demoustier: ‘Ik denk dat het beide is. Het is een tragedie omdat we uiteindelijk allemaal sterven, maar de verwoede manier waarop we ons best doen om het onmogelijke te bereiken, heeft onvermijdelijk iets komisch. Ik zie het als een groot compliment als mensen de film niet in een hokje kunnen plaatsen. De beste films stellen immers meer vragen dan ze antwoorden geven. Ik hoop dat het publiek de zaal verlaat met het gevoel iets te hebben geleerd over een vergeten geschiedenis, maar vooral met de vrijheid om daar hun eigen waarheid in te vinden.’