Je berooft een anonieme man van het leven, maar je wordt ter dood veroordeeld omdat je niet voldoende om je moeder rouwt. Absurd, niet? Het is het plot van Albert Camus’ De vreemdeling (1942), één van de meest invloedrijke en gelezen boeken van de 20ste eeuw, en nu verfilmd door schrijver en regisseur François Ozon (Swimming Pool, Été 85).
De hoofdpersoon is de onverschillige en ambitieloze Meursault, die in de jaren 30 in Algiers een simpele kantoorbaan heeft als zoon van Franse kolonisten. Hij liegt nooit en doet niet mee aan de sentimentele gewoontes van de samenleving: liefdes-uitingen, rouwende tranen of schuldgevoelens zijn hem vreemd. Als de apathische antiheld in de rechtbank moet voorkomen omdat hij vijf kogels door het lijf van een andere man heeft gejaagd, blijkt het proces nauwelijks over de moord te gaan. In plaats daarvan wordt hij vanwege zijn afwijkende karakter veroordeeld tot de guillotine.
Net als zijn personage Meursault, groeide Albert Camus op in Algerije als een zogenaamde pied-noir, als kind van Franse kolonisten. Hij woonde vanaf zijn studietijd afwisselend in Frankrijk en Algerije, en bleef Algerije ondanks koloniale spanningen altijd als zijn vaderland zien. Hij werkte als schrijver en journalist, en werd bekend met zijn filosofie van het absurde. Die komt het duidelijkst naar voren in zijn essay De Mythe van Sisyphus, dat hij in hetzelfde jaar schreef als De vreemdeling. Volgens Camus is het leven zelf zinloos en heeft het geen inherente waarde, maar de mens ontkomt er niet aan om op zoek te gaan naar betekenis.




