Rotterdam had 't

Hoe lang is het geleden dat Gong Li en Zhang Yimou, het gouden paar van de Chinese cinema, over de West-Kruiskade in Rotterdam liepen? Het jaar was 1993 en de film waarmee het stel naar het filmfestival Rotterdam was gereisd, was The story of Qiu Ju. De première eindigde in een staande ovatie. 

Laten we vooral niet zwelgen in nostalgie, maar de laatste jaren zijn heel weinig van dit soort magische momenten gepasseerd op het internationale filmfestival. Grote namen ontbreken eenvoudig in Rotterdam. Ze zijn vervangen door haast academische retrospectieven die meer aan huiswerk dan aan opwindende cinema doen denken.

Nu waren er altijd weinig filmsterren in Rotterdam: de makers waren immers de sterren. Kijk maar naar de fraaie portretten van festivalfotograaf Pieter Vandermeer die al jaren tijdens het festival worden opgehangen in de hal van Pathé Schouwburgplein: Ken Loach, Hou Hsiao-hsien, Wim Wenders, Jim Jarmusch, Krzysztof Kieslowski. Prachtige foto’s, prachtige filmmakers, maar met het jaar ook tragischer: de meeste portretten dateren van minstens twintig jaar geleden.

[ibimage==6288==Niets==none==self==ibimage_links]De jeugdige filmmakers van toen zijn eminences grises (of dood) en al jaren niet meer op het festival geweest. De nieuwe Jarmusch, Loach of Kieslowski in Rotterdam? Vergeet het maar. Dat komt deels doordat er een wildgroei aan festivals is. Ook zijn er steeds meer manieren voor filmmakers om een publiek te bereiken.

Het moet Rotterdam wel worden aangerekend dat het zich moeilijk aan de nieuwe tijd aanpast. Natuurlijk, de zalen puilen nog steeds uit, maar gemist wordt de opwinding van de ontdekking van grote talenten. De Tiger Competitie is al jaren het podium waar Rotterdam zijn nieuwe, jonge filmmakers lanceert. Ontdekkingen zijn schaars, het aantal kneuzen indrukwekkend. Jonathan Rosenbaum, een van de beste Amerikaanse filmcritici, noemde vorig jaar in de Filmkrant de Tiger Competitie ‘het minst aantrekkelijke aspect van het festival’. Van de meeste retrospectieven die hij er de afgelopen jaren had gezien, raakte hij ‘ook al niet opgewonden’.

De steeds herhaalde claim to fame van het festival is de ontdekking van Christopher Nolan, nu vooral bekend van Memento en The Dark Knight, maar in 1999 winnaar van een Tiger Award voor zijn low budget speelfilmdebuut Following. De officiële biografie van Nolan meldt echter dat Nolan al in het jaar vóór Rotterdam doorbrak met Following op het San Francisco Film Festival. Ook draaide de film vóór Rotterdam al op het filmfestival in Toronto.

Rotterdam heeft een talent om de verkeerde keuzes te maken. Vorig jaar opende het festival met het regiedebuut The Hungry Ghosts van Sopranos-acteur Michael Imperioli. Een jaar na dato is de film nog nergens, ook niet in de Verenigde Staten, uitgebracht. Er hebben zich zelfs geen festivals gemeld. Het zegt veel over het gebrek aan internationale slagkracht en het gekelderde prestige.

Bij de eerste editie van het festival in 1972 leek het er overigens niet op dat het festival zou uitgroeien tot een mega-evenement. “Dat ga ik zo niet openen,” waren de woorden van de Rotterdamse wethouder Vos toen bij de opening slechts zeventien mensen in de zaal zaten. Zonder ceremonie ging het festival van start. Een mislukking leek in zicht, maar uiteindelijk trok het festival, dat toen nog Film International heette en nauwelijks veertig films vertoonde, ruim vierduizend bezoeken. Oprichter en directeur Huub Bals (“Als je niet bij Film International bent geweest, moet je verder je smoel houden als er ergens over film wordt gepraat”) kon verder met zijn droom.

Het festival had de wind in de zeilen, omdat een jonge generatie filmmakers bijna volledig afhankelijk was van festivals. Gewone bioscopen waren alleen geïnteresseerd in commerciële films en filmhuizen waren er nog niet. Op een door Bals gemaakte lijst van 150 niet in Nederland uitgebrachte films stonden onder meer films van Fassbinder, Wenders, Tarkovski, Herzog en Pasolini. Het is nu nauwelijks voor te stellen, maar hun werk en dat van tientallen anderen lag voor het oprapen.

Met tomeloze energie en het vermogen om filmmakers aan zich te binden, stootte Bals het filmfestival op in de vaart der volkeren. Het telde mee: in 1978 draaiden tien films eerst in Rotterdam en daarna pas op het filmfestival in Berlijn. Zeventien jaar leidde Bals het festival, waarna een hartaanval hem in 1988 velde. De festivaleditie voor zijn dood trok ongeveer 150.000 filmbezoeken.

Na een overgangsperiode, waarin de bezoekcijfers daalden, groei de het festival in de eerste helft van de jaren negentig onder directeur Emile Fallaux uit tot een mega manifestatie. Het festival werd een publieksevenement in de categorie je-telt-niet-mee-als-je-er-niet-geweest-bent. Het gevolg was dat er niet langer een publiek werd gezocht voor interessante films, maar films voor het omvangrijke publiek. Ook na Fallaux, die na vijf jaar opstapte, bleef het festival onder de Engelsman Simon Field en later Sandra den Hamer groeien. Het leidde in 2007 tot een record van 367.000 bezoeken.

Toch klonk er niet alleen gejuich. Als publieksfestival was Rotterdam een weergaloos evenement, maar hoe stond het er artistiek voor? Had het festival nog greep op de ontwikkelingen? Toen Bals begon, waren er nauwelijks filmfestivals, maar in de decennia erna ontstond een hausse. Talentvolle jonge filmmakers hoefden niet meer te zoeken naar een vertoningsplek, maar werden door gretige festivaldirecteuren bijna beroofd van hun films. De talentvolste regisseurs kozen steeds minder vaak voor Rotterdam.

[ibimage==6289==Niets==none==self==ibimage_rechts]De dalende curve heeft zich daarna doorgezet. Het festivalmotto ‘ontdek regisseurs voordat ze beroemd zijn’ kan beter worden veranderd in ‘ontdek regisseurs die nooit beroemd worden’. In dit klimaat volgde Rutger Wolfson ruim twee jaar geleden Sandra den Hamer als directeur op. De benoeming wekte verbazing, omdat de museumdirecteur (De Vleeshal in Middelburg), nauwelijks filmkennis had. Hoe moest hij zich handhaven in het team van programmeurs, van wie velen al tientallen jaren bij het festival werken? Het viel reuze mee, merkte de directeur na een jaar op in de Filmkrant. “Ik heb wel eens gedacht dat het voor een hardcore filmfiguur moeilijker zou zijn geweest. Ik sta er heel open in, ik ben een generalist, maar ik ben natuurlijk niet gek.”

In de wandelgangen klinkt een ander geluid: de programmeurs nemen hun directeur niet serieus en trekken hun eigen plan. Dat zakelijk leider Patrick van Mil anderhalf jaar na zijn benoeming alweer opstapt bij het festival – hij gaat naar het Stedelijk Museum in Amsterdam – is weinig geruststellend.

De Raad voor Cultuur is de machtspositie van de programmeurs niet ontgaan. ‘Het festival zou meer nieuwe of jongere programmeurs aan zich moeten weten te verbinden,’ vindt de Raad. En er is meer kritiek: het festival ‘is in zichzelf gekeerd, blikt eerder terug dan vooruit en reflecteert onvoldoende op internationale ontwikkelingen’. Ook realiseert het festival zich niet ‘hoe kwetsbaar de internationale positie van Rotterdam is geworden’. De raad vindt het hoog tijd om ‘de beslagen geraakte ramen schoon te vegen’.

Ook de Rotterdamse Kunstraad mist ‘een heldere visie’ en ‘artistiek-inhoudelijke gedrevenheid en innovatieve ideeën’. Overdreven kritiek van betweters? Onder internationale filmcritici die al jaren het festival bezoeken, zijn dezelfde geluiden te horen. Hoofdredacteur Freddy Sartor van het Belgische filmtijdschrift Filmmagie ziet al lang niet meer reikhalzend uit naar het festival. “Het is jaren geleden dat ik een film of een cineast heb ontdekt in Rotterdam. Het is almaar verder bergafwaarts gegaan. Ik heb de indruk dat iedere programmeur een eilandje is.” Sartor stoort zich ook aan het gebrek aan lijn in het overladen programma. “Het is kijken als een kip zonder kop.”

Jan Pieter Ekker, ex-filmjournalist bij de Volkskrant en frequent bezoeker van buitenlandse filmfestivals, meent dat het festival slachtoffer is van de wet van de remmende voorsprong. “Het heeft een mooi verleden, maar men is stil blijven staan. Er heerst zelfgenoegzaamheid. Het ontbreekt aan visionaire ideeën. Het laatste echt nieuwe programmaonderdeel was Exploding Cinema, dat de relatie tussen beeldende kunst en film onderzocht. Ik vind het vreemd dat een directeur die uit de museumwereld komt, juist dit onderdeel heeft afgeschaft.”

De opheffing kwam voort uit bezuinigingsnoodzaak. Het festival leefde op te grote voet en moet de tering naar de nering zetten. In dat licht is het merkwaardig dat het festival wel geld heeft om elk jaar veertien medewerkers naar het filmfestival van Cannes te sturen.

Voor de festivalleiding misschien verontrustender dan de kritiek van professionals is de terugloop in het bezoek. De laatste twee jaar daalde het van 367.000 naar 341.000. Hoe ‘hot’ is Rotterdam nog? In een Rotterdams uitgaansblad noemde Tim Kamps, van het cabaretduo Kamps & Kamps, het festival net als Madonna, Harry Potter en musicals ‘niet meer hip’. Een paar jaar geleden zou geen cabaretier dat hebben gezegd. En al helemaal niet in het hol van de leeuw.

Volgens Wolfson staat Rotterdam na Cannes, Venetië en Berlijn nog steeds op de vierde plaats in de internationale festivalhiërarchie. Maar dat gelooft, buiten de festivalburelen, niemand meer.