Sleuren aan grootmeester Malick
Wie de comeback van het decennium maakt in een jaar dat Stanley Kubrick met een Cruise-Kidman-seksthriller zijn eerste film in twaalf jaar tijd aflevert, moet een wel heel bijzondere filmmaker zijn. En bijzonder was het, toen Terrence Malick in 1999 na een afwezigheid van twintig jaar de Gouden Beer won op het filmfestival van Berlijn met oorlogsfilm The Thin Red Line. Malick had in de jaren zeventig furore gemaakt met Badlands (1973) en Days of Heaven (1978), maar stopte van de ene op de andere dag met de productie van opvolger Q (inmiddels beter bekend als The Tree of Life). Hij verhuisde naar Parijs, schreef af en toe een script en ging vogeltjes kijken.
Dat Malick toch weer aan de slag is gegaan hebben we mede te danken aan Bobby Geisler en John Roberdeau, twee theaterproducenten die de regisseur adoreerden en hem in tien jaar tijd al pamperend naar de regisseursstoel schuifelden. Tenminste, dat is wat Geisler en Roberdeau beweren. Toen puntje eenmaal bij paaltje kwam, ontkende de regisseur ooit intensief met de heren te hebben samengewerkt.
De productietragedie begint als Geisler en Roberdeau in 1988 voorstellen D. M. Thomas' The White Hotel te verfilmen. Malick kaatst de bal terug en stelt een bewerking van Molière's Tartuffe of James Jones' The Thin Red Line voor. De producenten kiezen voor optie twee en geven hun nieuwe collega 250.000 dollar.
Malick gaat aan de slag, maar vraagt om geduld. Hij wil het in zijn eigen (berucht langzame) tempo doen. Geisler en Roberdeau beloven hem alle tijd van de wereld en kosten nog moeite worden gespaard om Malick over de hele wereld research te laten doen. Om een band met de moeilijk aanspreekbare filmmaker op te bouwen, stellen de producenten voor hem in de tussentijd een toneelbewerking te laten schrijven van Sansho the Bailiff. Malick stemt toe, maar het project mondt uit in een peperdure mislukking. Het blijkt het begin van het einde.
Nadat in 1989 een eerste script is ingeleverd, zijn Geisler en Roberdeau In 1995 het lange wachten zat
Nadat Malick in 1989 een eerste versie van het Thin Red Line-scenario heeft ingeleverd, gebeurt er lange tijd niets concreets. In 1995 zijn Geisler en Roberdeau het wachten zat en schakelen de hulp in van Mike Medavoy, producent en voormalig agent van Malick. Het is uiteindelijk Medavoy die een eerste scriptlezing op poten zet (met daarbij aanwezig o.a. Martin Sheen en Kevin Costner) en de financiering rond krijgt. Daarnaast huurt Medavoy een extra producent in om taken over te nemen van de onervaren Geisler en Roberdeau.
En terwijl medio '97 de eerste draaidag langzaam dichterbij komt, krijgen Geisler en Roberdeau opeens te horen dat ze niet welkom zijn op de set. Het duo is verbijsterd en protesteert. Maar tevergeefs. Malick wil ze er niet meer bij hebben. Ondertussen wordt er naar de filmpers een anonieme, officieel ogende brief verstuurd met de tekst: 'Bobby Geisler en John Roberdeau zijn zwendelaars die alleen in een ver verleden iets met Mr. Malick te maken hebben gehad. Journalisten moeten uitkijken dat deze fraudeurs niet hun eigen carrières proberen op te waarderen met de naam van Mr. Malick'.
In het stuk dat Peter Biskind voor Vanity Fair over de affaire schreef, geeft Malick geen weerwoord. De regisseur geeft immers nooit interviews. Wel voert Biskind enkele (anonieme) bronnen op die stellen dat Geisler en Roberdeau overal schulden hadden, hun eigen rol groter maakten dan hij was en lang voordat de film daadwerkelijk in productie ging op een zijspoor waren beland.
Zou de schoonheid van The Thin Red Line de pijn van Geisler en Roberdeau een beetje kunnen verzachten?
