Een goed begin: De Onstuimige Jeugd

Regisseur Kees van Nieuwkerk (Sterke Verhalen) schrijft iedere maand de openingsscène van een nieuwe film. Een film die hij ooit nog gaat maken. Alles kan, want Kees zit immers nog maar in de scenariofase. Deze keer: de eerste scène van De Onstuimige Jeugd.

We horen het gehijg en de zware voetstappen van een vermoeide oude man die door een gang rent. De ondergrond klinkt drassig. Om de zoveel meter werpt een zwak flikkerend peertje een beetje meer licht op de situatie. De muren zijn diep rood en lijken te pulseren. Dit is geen riool, maar iets anders en de oude man blijkt eigenlijk een jongen, niet veel ouder dan twintig jaar te zijn. Een lange slungel met krullen. Eerst lijkt het alsof hij zweet als een otter, maar dan zien we dat hij onder het bloed zit. Het is zijn eigen bloed.

Aan het einde van de gang belt de jongen aan bij een klein deurtje en zegt hij: “Ik ben ‘t.”

De deur gaat open en de jongen stapt in een grote kamer die zich het best laat omschrijven als een hotellobby. In het midden van de ruimte staat een bureau met daarachter een receptioniste. De vrouw kijkt helemaal niet vreemd op van de bebloede jongen en vraagt vriendelijk waar hij voor komt.

“Ik kom voor mijn oma. Ik weet de weg.” Zegt de jongen en hij loopt met een ingehouden rust door naar één van de tientallen deuren die zich aan de andere kant van de ruimte bevinden. Elke deur wordt bewaakt door twee standbeelden van witte ridders, die de stappen van de jongen achterdochtig volgen met hun bewegende ogen.

Wanneer de jongen zijn hand op een gouden deurklink legt waarschuwt de receptionist dat hij geen gekke dingen mag doen. “Je kent de regels en je weet wat er gebeurt als je die niet naleeft.” De jongen wisselt een blik van verstandhouding met de ridder rechts van hem en stapt dan vastberaden door de deur.

Hij sluit de deur achter zich en loopt nu door een restaurant met op alle tafels borden vol met zijn lievelingseten.  Hij laat de grote stukken vlees, borden pasta Vongole en salades met coquilles voor wat ze zijn en loopt resoluut door naar weer een volgende rij deuren. Hij belandt in een soort dierenwinkel vol beesten die vrolijk beginnen te miauwen en blaffen wanneer ze hem herkennen. Nóg een deur door, weer een andere kamer in. Dit keer een soort arcadehal met schietspelletjes en flipperkasten, daarna een kleine bioscoop met Bruce Willis op het witte doek.  Een wenteltrap leidt de jongen verder naar beneden en nog dieper in dit voor ons krankzinnige, maar voor hem zo vertrouwde gebouw in.

Dan komt hij tot stilstand in een kamer met rode gordijnen langs de muren en een groot en statig schilderij van een oudere mevrouw op een ezel. Daarvoor staat een dressoir met bloemen en kaarsen erop, een soort altaartje. De jongen blijft even staan en kijkt naar het portret. Ze hebben elkanders grijsgroene ogen, dezelfde bezorgde blik.

“Het spijt me Oma, ik kom niet voor u.”

De kamer lijkt een beetje te gaan trillen en heel in de verte is er iets in beweging gekomen dat nu met grote snelheid op de jongen af komt. Oma ziet hoe haar kleinzoon in actie komt. Hij schuift het dressoir voor de deur waardoor hij naar binnen is gekomen. Dan begint hij weer te rennen. Nog meer deuren door, kamers in en uit. Hij passeert wanden vol polaroidfoto’s van zijn liefste vrienden, genomen op de mooiste momenten van zijn leven.

De jongen rent verder, een hele lange en brede gang door met aan weerszijden pilaren en een rode loper op de grond, die leidt naar de mooiste deur tot nog toe. Hij gooit de deur open, ziet aan het begin van de gang de rennende witte ridders verschijnen en gooit de deur dan met een klap achter zich in het slot.

Nu staat hij in een gigantische ronde ruimte met een oneindig hoog plafond. Er zijn geen deuren meer, dit is de laatste kamer. Er heerst de totale rust van een zwoele zomeravond. De jongen loopt naar het midden van de kamer, waar een prachtige kastanjeboom staat te bloeien. Hij bekijkt de boom en tranen wellen bij hem op wanneer hij het hartje ziet dat in de bast staat gekerfd. Een pijl verbindt twee letters.

Voorzichtig haalt de jongen een busje aanstekervloeistof en een doosje lucifers uit zijn binnenzak. Achter hem knalt de deur open en stormen in slow motion de witte ridders binnen. De jongen lijkt er geen erg in te hebben, spuit geconcentreerd de vloeistof uit het busje over het gekerfde hart en steekt de bast dan in de fik. Onmiddellijk grijpt hij naar zijn borst en schreeuwt hij het uit van de pijn. Maar wij horen al niets meer. De witte ridders hebben de jongen overmeesterd en een eerste blaadje valt van de boom.

Tekst: Kees van Nieuwkerk | Fotografie: Bowie Verschuuren | Met medewerking van Studio/K

Eerder schreef Kees voor ons de eerste scènes van de niet bestaande films The Loneliest Man in the World en Gentse BBoys.

Lees verder

Reacties

Laatste artikel4 uur 48 min geleden