Filmmuziek op z'n Miles Davis
We schrijven 1957, vroeg in het jaar. De jonge regisseur Louis Malle heeft samen met een vriend een scenario geschreven en is van plan dat baanbrekend te verfilmen. Een plotlijn in één zin te vertellen, en daar de hele film mee te spelen op ongekende manieren. De minnaar van Moreau die haar echtgenoot vermoord op zijn werk, maar op de terugweg in de lift vast blijft zitten. De lift naar het schavot. In amper 90 minuten beslaat de film 24 uur, en Malle maakte misschien wel de eerste film van de Nouvelle Vague-beweging, een Franse stijl die de cinema op zijn grondvesten zal doen schudden en ons meesterwerken van Jean-Luc Godard, François Truffaut en Éric Rohmer zou tonen.
Malle wil het anders doen. Hij wil geen film maken zoals de anderen die maken, hij wil de film maken om alle andere films te laten eindigen. Cinema opnieuw uitvinden. Terug naar de oorsprong, zwart-wit, grauw. Toenmalig B-actrice Jeanne Moreau de hoofdrol geven, onglamoreus en zonder make-up. Verhaallijnen door elkaar weven. Persoonlijke ambities, jonge dwaasheid, mysterieuze detectives, en dat alles in nachtelijk Parijs in 1958. Neo-noir als uitvinding, als vernieuwing, als terugkeer naar de basis en als pure moed. Onverschrokkenheid in cinematografie, in casting, in verhaal en – zeer belangrijk – in de muziek.
Zonder enkele notie van wat de bedoeling is, maken de musici samen een kunstwerk
Miles Davis
De opnames zijn afgerond, en Malle's regie-assistent en jazzkenner Jean-Paul Rappeneau weet dat de grote trompettist Miles Davis in Europa verkeert. De grootste. De meest intieme, vrije, en innovatief toegankelijke muziek komt bij de Picasso van de jazz vandaan. Dat weet Rappeneau, want hij kent jazz. En wie jazz kent, die kent Miles Davis. Rappeneau neemt zijn regisseur mee naar Club Saint Germain om te luisteren naar Davis en hij laat de twee kennis maken. Het is liefde op het eerste gezicht. De trompetter bezoekt vervolgens een privévertoning van Ascenseur pour l'echafaud en is zeer gecharmeerd. Het karakter van de film spreekt hem aan, de zachte zwarte kleuren gemixt met het harde wit; pure cinema en pure kunst. En Miles is een kunstkenner.
We schrijven 4 december 1957, nog geen maand nadat Davis en Malle elkaar voor het eerst ontmoet hebben, en ze komen samen in Le Post Parisien Studio. Enkele uren ervoor heeft Davis op zijn hotelkamer wat akkoordenschema's opgeschreven. Geen noot staat op papier, geen enkele andere voorbereiding is getroffen. Het wordt later die avond. Bassist Michelot stemt zijn snaren. Urtreger staart naar zijn piano. Wilen is in diepe gedachten verzonken met zijn tenorsaxofoon. Er wordt een scherm uitgerold. Een projector laat de scènes uit de film zien waar Malle graag muziek wil horen. De regisseur is aanwezig, en hij heeft zijn steractrice Moreau meegenomen – Moreau en vele flessen champagne. Het plot van de film wordt uitgelegd.
De band spant zich in. Het is elf uur 's avonds. Davis telt af en de band speelt; improviseert. Zonder enkele notie van wat de bedoeling is, maken de verschillende musici samen een kunstwerk door oogcontact, muzikale kennis en een algemeen begrip van pure schoonheid. De contrabas is opzwepend, en dan weer kalm. Clarke houdt zich immer in achter zijn drumstel, Urtreger harmoniseert het geheel op toetsen, Wilen stijgt boven zichzelf uit op tenorsaxofoon, en bedenkt dat het misschien wel een van de mooiste instrumenten op aarde is. En Davis? Die huilt met zijn trompet. Huilt als Jeanne Moreau om haar falende minnaar, hij zwerft als Moreau door nachtelijk Parijs en wringt zich door moeilijke situaties als de detectives en autodieven die de film zijn misdaadkarakter geven. Dit is muziek, en ze weten het. Ze voelen het terwijl ze het maken.
Na elke take vloeit de champagne. Om vijf uur 's ochtends meldt de technicus dat het erop zit. De band van Miles Davis heeft in zes uur tijd een complete filmsoundtrack opgenomen. Wanneer het resultaat onder ogen en oren van de aanwezigen komt, zijn ze verbluft. Wonderschoon, zachtaardig en pure jazz-improvisatie. Ze swingen door de nacht. Ze swingen in zwart-wit, in neo-noir, in een cinematografisch perfect gevormd Parijs, helder en licht, donker gruizend als de trompet van Davis, als de film van Louis Malle. We schrijven 1957. We schrijven filmgeschiedenis.

