Een stoomcursus Nouvelle Vague
Filmstromingen zijn er al sinds het begin van de cinema, en elke zoveel jaar komt er een nieuwe golf die de filmwereld meesleept in een nieuwe richting. Eind jaren 50 en begin jaren 60 kwam een nieuwe golf uit Frankrijk; de Nouvelle Vague maakte korte metten met de heersende filmnormen en -waarden en gaf ons meesterlijke regisseurs, baanbrekende technieken en liefdevolle staaltjes cinema, maar bovenal een theorie die cineasten als auteurs en genieën beschouwde, en de passie voor film hoog deed oplaaien.
Début
Om een nieuwe stijl te kunnen verzinnen, moeten een oude stroming zijn glorie verloren zijn. De rechtstreekse aanleiding voor de geboorte van de Nouvelle Vague was het vastlopen van de cinema in de jaren 50. Vernieuwing was zeldzaam, en regisseurs met passie en ideeën werden door de grote studio's klemgezet en gedwongen tot het maken van kant-en-klare-kijkproducten voor de massa. Een gruwel voor de echte cinefielen, die liever naar het werk keken van Alfred Hitchcock en Jean Renoir, om daar vervolgens over te schrijven in het Franse periodieke filmblad Cahiers du Cinéma, dat internationaal de filmkritiek aanvoerde.
Een van die cinefielen, autodidact in levensvisie – slechts 'onderwezen' door films en literatuur – was François Truffaut, die het dichtslibben van de inventiviteit niet meer kon verdragen en in 1954 al zijn woede stopte in een artikel dat de filmwereld voorgoed zou veranderen: Une certaine tendance du cinéma français. Meer met een essay dan een artikel, en meer belerend dan veel mensen waren gewend, pleitte Truffaut voor bezieling, voor respect voor de grote meesters van de cinema, die meer waren dan marionetten voor de poppenspelers van de studio's; voor la politique des Auteurs. Cineasten moesten de filmwereld aanvoeren, want cinema was immers het verwezenlijken van ideeën die haast dromen leken – sterrenstof op het witte doek – en daar moest men geen materialistische visie op loslaten. Snoeihard en nietsontziend werden namen genoemd en mensen op hun plaats gezet. Truffaut was ontketend en de Auteurstheorie was geboren.
Politiques des Auteurs
De Auteurstheorie pleit voor regisseurs als schrijvers van hun films; cinema moest de handtekening van zijn regisseur dragen. Het scenario moest geschreven worden door de regisseur om zo een visie te kunnen verwezenlijken. De talloze boekverfilmingen die de wereld dreigden te overstromen, moesten op een vrijere manier gemaakt worden. Niet het plot van het boek, maar het idee en de stijl moesten de verfilming kenmerken, en zo de vrijheid geven aan de regisseur die met zijn inzicht, oordeel en opvattingen een gids moest zijn voor het publiek.
Films werden opgedeeld in twee categorieen: cinéma de qualité (kwaliteitsfilms met een regisseur als auteur van zijn film) en cinéma de papa (ouderwetse en steriele films, de kant-en-klare kijkproducten). De regisseurs werden ook opgedeeld: Auteurs (regisseurs met een handtekening en visie) en metteurs en scene (visieloze makers van een product).
Wat opvalt aan de theorie, is dat hij nu nog steeds, 58 jaar later, actueel blijft. De scheidingslijn die is getrokken tussen hedendaagse cineasten als Quentin Tarantino of Wes Anderson en de regisseurs van de Amerikaanse studiofilms is nog altijd lijnrecht en vrijwel onaantastbaar. De visie van Truffaut heeft de eeuwwisseling overleefd en is filmgeschiedenis geworden.
Auteurs
Het artikel in 1954 bracht een stroom van kritiek, verontwaardiging, opschudding en lovende woorden teweeg, maar belangrijker nog: een filmbeweging. François Truffaut maakte de overstap van filmcriticus naar cineast, en vele andere Franse filmcritici deden met hem mee: Jean-Luc Godard, Claude Chabrol, Eric Rohmer en Jacques Rivette schreven allen ook voor Cahiers du Cinéma en zouden vanaf de jaren 50 de overstap naar regisseur maken. Andere beroemde regisseurs uit het Nouvelle Vague-tijdperk zijn Alain Resnais, Jacques Demy, Louis Malle en Jean-Pierre Melville.
Allen probeerden ze hun handtekening in hun films te verwerken en zo te worden als de grote auteurs die ze verafgoden: Orson Welles, John Ford en Charlie Chaplin; auteurs die hun tijd vooruit waren.
Cinéma de qualité
Welke film de eerste Nouvelle Vague-film was, is nog steeds niet helemaal zeker. De discussie focust zich meestal rondom Les quatre cents coups van Truffaut, À Bout de souffle van Godard en Le beau Serge van Chabrol. In ieder geval hield de stroming lang stand, doordat latere regisseurs als Woody Allen, Martin Scorsese en Francis Ford Coppola tot hun Amerikaanse volgelingen konden worden gerekend, zoals er in veel landen een New Wave-beweging ontstond. Een definitief einde van de golf is zo moeilijk te trekken.
Om je echt goed voor te bereiden op Salon Cineville, bekijk je de volgende films uit de Nouvelle Vague:
- Les quatre cents coups (François Truffaut, 1959) – een autobiografische film over een onbegrepen adolescent in Parijs, met prachtige filmmuziek en een van de meest beroemde eindshots aller tijden.
- À Bout de souffle (Jean-Luc Godard, 1960) – vol met cinematische trucjes een van de meest karakteristieke films van de beweging, met schitterende jump-cuts, doorbroken vierde wand en een onweerstaanbare Jean-Paul Belmondo.
- Hiroshima mon amour (Alain Resnais, 1959) – herinneringen en vergevingsgezindheid, maar bovenal liefde voert de boventoon in dit bijzondere werk van Alain Resnais dat vooral door zijn mooie flashbacks herinnerd wordt.
- Ascenseur pour l'échafaud (Louis Malle, 1958) – de soundtrack van Miles Davis en de angstige blik van Jeanne Moreau, dwalend door Parijs, maken deze film noir tot een klassieker. Deze film is donderdag en vrijdag te zien in filmhuis Cavia.
- Adieu Philippine (Jacques Rozier, 1962) – een van de kernfilms van de Nouvelle Vague over een romance tussen twee meisjes en een man die wacht op een oproep van het leger.
[Openingsfoto: de beroemde eindscène uit Les quatre cents coups]
