De kern van de dingen
Door Renske Jonkman
Het is vreemd wanneer je op de helft van een roman begint te verlangen naar de verfilming. Immers, een film ordent de beelden dusdanig keurig dat de aanspraak op de eigen fantasie tot het minimum wordt beperkt. Waarom daarnaar verlangen? Maar na het zien van de boekverfilming Tinker, Tailor, Soldier, Spy blijkt het tegenovergestelde waar te zijn: juist die inperking maakt het verhaal niet alleen compacter – en daarmee overzichtelijker – maar laat ook zeker genoeg ruimte over aan de fantasie.
Tinker, Tailor, Soldier, Spy is de complexe spionagethriller van John Le Carré over de ontdekking van een dubbelspion in het hoogste kader bij de Britse inlichtingendienst, de M16. Het verhaal speelt zich af in de jaren zeventig, tegen de achtergrond van de Koude Oorlog waarin continue verdachtmaking, paranoia en misleidingen de verhoudingen op scherp zetten. Als een spionageklus in Boedapest misloopt, krijgt spion Georg Smiley de opdracht om te achterhalen wie de mol is die zich in 'The Circus' (de codenaam van de M16) schuil houdt.
Er zijn mensen die spionagethrillers lezen voor het uitgekiende plot, en er zijn mensen die het lezen voor de sfeer, de literaire stijl en de rake karakterbeschrijvingen. In de roman van Le Carré blijken beide elementen aanwezig te zijn, hoewel de lezer die ernaar verlangt de puzzel van een ingewikkelde verhaallijn op te lossen waarschijnlijk het beste aan zijn trekken komt. In tegenstelling tot de film die de chronologie van het verhaal nauwgezet volgt en van start gaat met de mislukte spionageklus in Boedapest, opent de roman met een sfeervolle openingsscène bij de kostschool Thursgood, waarna al snel meer dan vijftig bladzijdes aan kruisverhoor tussen George Smiley en een van de koppensnellers, Ricki Tarr, volgt. In een razend tempo wordt een stoet van bijfiguren, ingenieuze zijpaden, langlopende zaken en opgediepte dossiers aan de lezer voorgeschoteld. Gaandeweg lijkt Le Carré zich in details te verliezen met als resultaat dat de hoofdlijn steeds meer raakt ondergesneeuwd. Of, zoals Smiley op de helft van het boek zelf zegt: 'Ieder van ons beschikt over een bepaalde hoeveelheid medelijden. En als we onze gevoelens aan elke zwerfkat verspillen, zullen we nooit tot de kern van de dingen kunnen doorstoten.'
Regisseur Tomas Alfredson (Let the Right One In) kreeg het wél voor elkaar om tot de kern van de dingen door te stoten. Eerder werd het boek van Le Carré al in 1979 verfilmd tot een miniserie van 290 minuten, terwijl Alfredson niet meer dan 127 minuten tot zijn beschikking heeft. Wat overblijft is een concentraat van een verhaal vol complexe zijpaden die Le Carré zich in het boek permitteerde. Dat blijkt prima te werken. Met Gary Oldman als George Smiley – de anti-James Bond en stoïcijnse observator – wordt kalm het ene raadsel na het andere ontsponnen. De grijze jaren zeventig-sfeer wordt in het mooie camerawerk van de Nederlander Hoyte van Hoytema gevangen maar laat tegelijkertijd genoeg aan de fantasie van de kijker over. Net zoals het verhaal ruimte overlaat voor eigen interpretatie weet Alfredson geconcentreerd toe te werken naar de climax. Bijzonder om te zien is dat het verhaal is aangepast aan de huidige tijd; waar toespelingen naar homoseksualiteit bij Le Carré achterwege blijven, voegt Alfredson dit subtiel toe. Dit maakt de film niet alleen tot een geslaagde adaptatie, maar laat ook zien dat Alfredson niet bang is om zijn eigen handtekening te plaatsen.
Renske Jonkman (1982) studeerde Nederlandse Taal & Letterkunde en volgde een minor in Filmwetenschappen. Als freelance journalist en tekstschrijver maakt ze interviews en reportages voor onder meer Het Parool, Trouw, Folia Magazine, Viva en DJ Broadcast. In 2009 won ze de Lowlands Blogwedstrijd, onder leiding van Leon Verdonschot. Haar debuutroman Zo gaan we niet met elkaar om verscheen op 14 juli 2011 bij Nijgh & Van Ditmar. Renske is ook één van de schrijvers van collectief De Jagers.
