Arthouse meets Blockbuster

Vorige week ging The Amazing Spider-Man in première in het Eye-instituut. Luuk van Huët vindt die gebeurtenis typisch voor de kunstzinnige richting waarin superheldenfilms zich al een tijdje bewegen, en vertelt van de geschiedenis, voordelen en valkuilen van deze ontwikkeling.

Vorige week was het prestigieuze, nog verse EYE het toneel van de galapremière van The Amazing Spider-Man, de reboot van de slechts vijf jaar geleden uitgekomen Spider-Man 3. Hoewel het op het eerste gezicht voor sommigen vreemd leek dat deze tempel voor de kwaliteitsfilm gebruikt werd voor de première van een potentiële 3D Pathé-kaskraker, is het eigenlijk exemplarisch voor de toenadering tussen arthouse en multiplex, waarin juist de superheldenfilm een niet te onderschatten rol heeft gehad.

De eerste golf superheldenfilms begon met Tim Burton’s Batman in 1989 en eindigde in 1997 met het overdreven campy Batman & Robin van Joel Schumacher, een dusdanige draak dat het superheldengenre enkele jaren zo populair was als kryptonite op de verjaardag van Clark Kent. Toen Sam Raimi in 2002 Spider-Man maakte, had hij al succesvolle westerns, horrorkomedies en actiefilms op zijn naam. Films die allemaal op eigen benen konden staan, maar wel duidelijk stilistische overeenkomsten vertoonden. Net als Tim Burton hanteerde Raimi een soort Gotische esthetiek die goed paste bij het genre. Dat Raimi zich vergaloppeerde in Spider-Man 3, heeft net zoveel te maken met meningsverschillen tussen de studio en de regisseur en de acteurs als met Raimi’s kwaliteiten.

'Garfield’s slungelige lijf en passief-agressieve houding maken deze Parker een beetje een huftertje'

Het was Christopher Nolan die in de tweede superheldengolf de weg plaveide voor andere regisseurs uit de arthousehoek om het genre te bestormen. Nolan maakte furore op het IFFR met zijn film Following en brak daarna door in de arthousebioscopen met Memento. Het commerciële succes van Nolan begon met Batman Begins en later oogste Nolan met The Dark Knight fenomenaal succes met een minder cartooneske, en grimmiger versie van Batman. Of hij dit succes vast weet te houden met The Dark Knight Rises zullen we van de zomer zien. Na Nolan wist voormalig indiefavoriet Jon Favreau samen met Robert Downey Jr. Iron Man een hart en ziel te geven, Kenneth Branagh verleende Thor Shakespeareaanse pathos en uiteindelijk mocht cultheld Joss Whedon plaatsnemen in de regiestoel voor The Avengers, één van de meest succesvolle films aller tijden, op zowel commercieel als inhoudelijk gebied. Dat er naast deze succesverhalen ook hier en daar missers waren, zoals Ang Lee’s fascinerende maar ietwat esoterische Hulk en het onderkoelde Superman Returns van Brian Singer klopt, maar een flop ter tenenkrommende grootte van Batman & Robin ontbreekt tot nu toe in de tweede golf.

'De onmenselijke trekken van de Lizard zijn goed voor een enkeltje naar de Uncanny Valley'

En nu lijken deze trends te culmineren in The Amazing Spider-Man (voor de niet-nerd die de geschiedenis van Spidey niet kent, lees hier de wiki). In de nieuwe versie van Marc Webb, die eerder verantwoordelijk was voor de indieromcom (500) Days of Summer,  ligt de focus op de ontstaansgeschiedenis van Spider-Man en wordt er dieper ingegaan op de dood en afwezigheid van Peter’s ouders. Andrew Garfield maakt zijn blockbusterdebuut en zijn Peter Parker is een skatende hipster die wel het scherpe randje aan het personage weet te geven dat Tobey Maguire in Spider-Man 3 net miste met zijn emo-kapsel en dito danspasjes. Garfield’s slungelige lijf en passief-agressieve houding maken deze Parker een beetje een huftertje, maar dat maakt hem wel geloofwaardiger. Terwijl Peter zijn krachten begint te ontwikkelen, heeft hij de aandacht getrokken van Gwen Stacy (Emma Stone), een scherpzinnige, ietwat sarcastische klasgenote die de dochter is van een politiecommissaris. Het is allemaal niet standaard-Hollywood; Garfield maakt zijn Parker van meet af aan wat complexer. Maar als Dr. Curt Connors de experimentele formule, waarmee ledematen terug zouden moeten groeien, op zichzelf uittest, verandert hij in een gigantisch, agressief wezen, The Lizard, en neemt Peter de verantwoordelijkheid om hem te stoppen op zich.

The Amazing Spider-Man verschilt in sommige aspecten van toon met de Spider-Man reeks van Raimi. Waar Raimi in de actiescènes veelvuldig gebruik maakte van computeranimatie, was de buzz rond The Amazing Spider-Man juist dat de nadruk werd gelegd op de praktische effecten die aangewend werden om de actie zo realistisch mogelijk weer te geven. Dat levert inderdaad een paar enerverende scènes op, waarbij vooral het webslingeren spectaculair overkomt. Het wordt echter problematisch wanneer The Lizard in beeld komt: de overduidelijk geanimeerde hagedis botst met deze praktische aanpak en de onmenselijke trekken in zijn gezicht zijn samen met zijn Jokerachtige mond goed voor een enkeltje naar de Uncanny Valley. Of Webb nou te weinig ervaring heeft met CGI, of dat het gewoon de verkeerde keuze voor een antagonist is geweest, blijft maar de vraag. 

Eigenlijk is The Amazing Spider-Man een blockbuster die dankzij een flinke stoot arthouse-DNA uitgegroeid is tot een intrigerende film. Daarbij is het ironisch genoeg juist het standaard CGI-geweld dat de film tegenwerkt, als een soort blinde darm die op cruciale momenten gaat ontsteken. Laten we hopen dat de evolutie van de blockbuster er uiteindelijk voor zorgt dat deze rudimentaire trekken overwonnen zullen worden, zodat we van het beste van arthouse in de superheldenwereld kunnen gaan genieten.

Lees verder

Reacties

Laatste artikel18 uur 10 min geleden