Manhattan Murder Mystery

  • Info
  • Over de regisseur

Hoe kan een thriller komisch zijn? Met Manhattan Murder Mystery krijgt Woody Allen het voor elkaar. Met Allen zelf, Diane Keaton, Alan Alda en Anjelica Huston.

Credits

  • Regie
    Woody Allen
    , 1993
    met
    Woody Allen
    Diane Keaton
    Alan Alda
    Anjelica Huston
    Land
    Verenigde Staten
    taal
    Engels
    duur
    104 min.

Jaren hadden zij niet meer samengewerkt, maar in Manhattan Murder Mystery zijn Woody Allen en Diane Keaton weer samen in een film te zien. Ze zijn ditmaal een echtpaar van middelbare leeftijd dat onraad meent te ruiken bij de buren. Ze kunnen het niet laten om er het nodige onderzoek naar te doen, waardoor ze zich aardig wat problemen op de hals halen.

In een echte thriller, ditmaal met flink wat suspense, speelt Allen weer de oude vertrouwde neuroot, terwijl er verder hoofdrollen zijn weggelegd voor Anjelica Huston en Alan Alda (de bekende dokter uit M*A*S*H). Woody Allen hier weer op zijn best.

0 sterren gebaseerd op ratings

Woody Allen

Niemand zal ooit meer een komedie over een grootstedelijke neuroot kunnen maken zonder dat recensenten de naam noemen van Woody Allen (New York, 1935). Het feit dat zijn handtekening in ieder van zijn films onmiddellijk herkenbaar is, maakt Allen tot een van de ijkpunten van de moderne cinema. Niemand anders combineerde met zoveel succes onversneden hilariteit met intellectuele fascinaties als filosofie, psychologie en literatuur. 

Allen kreeg op zijn vijftiende zijn eerste baantje als grappenmaker. Voor 200 dollar per week schreef hij oneliners voor een lokale krant. Na een tijdje als stand up-comedian gewerkt te hebben, schreef hij het scenario van What's New, Pussycat? (1965), waarin hij zelf ook een kleine rol mocht spelen. Toen hoofdrolspeler Peter Sellers zich alle hilarische oneliners toe-eigende die de scenarist voor zichzelf had geschreven, besloot Allen dat hij voortaan volledige controle wilde.

What's Up, Tiger Lily? (1966) was Allens debuut als regisseur. Het was het begin van een onwaarschijnlijk productieve carrière. Tot op heden regisseerde Allen meer dan veertig films. Na een vroege periode met films die voornamelijk uit sketches waren opgebouwd, bewees Allen zich met Annie Hall (1977) als filmmaker die ook serieuzere thema's kon aansnijden, zonder dat de lach daar onder hoefde te lijden. Voor die film kreeg Allen zijn eerste drie Oscarnominaties - voor regie, scenario en spel - waarvan hij de eerste twee verzilverde. Er zouden nog twintig (!) nominaties volgen.

Naast meer geslaagde films in het bitterzoet-komische genre, zoals Manhattan (1979), Zelig (1983) en The Purple Rose of Cairo (1985), maakte Allen ook een aantal drama's waarin hij het voorbeeld van zijn idolen Federico Fellini en Ingmar Bergman volgde, zoals Interiors (1978) en Stardust Memories (1980). In de jaren negentig toonde Allen volgens critici vormverlies, maar leverde hij desondanks nog pareltjes af als Mighty Aphrodite (1995) en Everyone Says I Love You (1996).

Na de eeuwwisseling gaf een horizonsverbreding een nieuwe impuls aan Allens werk. Lange tijd was New York het karakteristieke theater van zijn films, maar het werd te duur om daar te filmen. Allen bekeerde zich tot de grote steden van het oude Europa: Londen, Barcelona, Parijs, Rome. Daar maakte hij onder andere Match Point (2005), Vicky Christina Barcelona (2008) en Midnight in Paris (2011), films die tot de beste uit zijn oeuvre gerekend worden. Met die laatste film behaalde Allen op 76-jarige leeftijd nog even de grootste omzet uit zijn loopbaan.