De geschiedenis speelt zich af in 1910, het laatste levensjaar van Tolstoj. Zijn grote romans Oorlog en vrede en Anna Karenina waren toen al meer dan dertig jaar oud. We zien een bejaarde en bebaarde Tolstoj (Chris topher Plummer), die als een idool werd aanbeden door boeren en idealistische types. Niet vanwege zijn boeken, maar vanwege het religieus-sociale ideeëngoed dat hij in zijn laatste levensfase uitdroeg.
Door de ogen van de jonge idealist Valentin Boelgakov (James Mc Avoy) zijn we getuige van de vete tussen Tolstoj’s echtgenote Sofia (Helen Mirren) en zijn ideoloog Vladimir Chertkov (Paul Giamatti). Deze wil alle rechten op Tolstoj’s werken in bezit krijgen.
Voor Sofia, die zelf nauw betrokken was bij de totstandkoming van Tolstoj’s meesterwerken, is dit een klap in het gezicht. Zij ziet het als een teken dat haar man niet meer van haar houdt, als een onterving, ondanks een kluchtige scène waarin het 48 jaar getrouwde stel kakelend en kraaiend als kip en haan het huwelijksbed opwarmt.
Plummer, Mirren en Giamatti pakken hun rollen met goesting aan. Vooral de met het klimmen der jaren steeds grootser acterende Mirren is verrukkelijk als een tussen onderkoeld sarcasme en hysterische aanvallen laverende aristocrate.
Maar ondanks het voor Oscars genomineerde acteerwerk en ondanks de verzorgde aankleding die je van een Brits periodedrama verwacht, blijven de karakters steken in schematische tegenstellingen. Sofia blijft van begin tot eind een theatrale dramaqueen. Chertkov is een koude, berekenende manipulator die alleen maar aan zijn ideaal kan denken. Boelgarkov blijft een onbeschreven blad, een goedwillende jongeman die ondanks een breed uitgemeten affaire met een vrijgevochten geestverwante tamelijk flets blijft.
En Tolstoj? Die kijkt al dat gedoe om zijn erfgoed geamuseerd aan, als een oude dwaas die pas op zijn sterfbed in het station uit de filmtitel inziet wie er werkelijk van hem houden.
Beoordeling: ***


